Collectie J. Baron


Viktor IV

 

Anton Heyboer, Viktor IV, Jan Montyn, Theo Niermeijer, Wim de Haan, Hannes van Es, Jaap Mooy, Tjibbe Hooghiemstra, Huug Pleysier, Armando, Ruben Stallinga, Anneliese Wolf, Willem Alfrink, Krin Rinsema, e.a.

info@collectiebaron.nl
 

 

De veronachtzaamde rol van de kunstbeschouwer

Conceptueel kunstenaar Sol Lewitt: "De beschouwer voltooit in zekere zin het kunstwerk, maar dit hoeft niet een voltooiing te zijn zoals die de kunstenaar voor ogen stond. De kunstenaar hoeft niet zín eigen kunst te begrijpen, zijn perceptie is niet beter of slechter dan die van anderenĒ. Er is geen overdracht van kennis en ervaring van de kunstenaar op de beschouwer. Als dit zo was, dan zou het kunstwerk niet meer zijn dan een instrument in een communicatieproces tussen maker en publiek. De rol van de kunstbeschouwer is als die van een lezer van een boek: het boek komt pas tot leven wanneer hij het leest en 'n betekenis interpreteert. Of zoals kunstenaar Liam Gillick eens zei dat zijn werk is "als het lampje in de koelkast: het werkt alleen als je de koelkastdeur opent".

 ***

De hedendaagse kunst in een kritiek stadium?

Voor Hannah Arendt was het nieuwe begin dermate van belang dat ze het tot ťťn van haar grote filosofische themaís maakte. Ze noemde het nataliteit en gebruikte voor het begin het Latijnse initium en voor het nieuwe novitas. Elke keer als we in ons leven iets nieuws aanvangen worden we volgens haar opnieuw geboren. Deze begrippen die Arendt hanteerde lijken zich uitstekend te lenen voor een hedendaagse beschouwing van kunst. De avant-garde beweging, de voorlopers der vernieuwing, kunnen in herinnering worden geroepen en hun initia van toen doorgetrokken worden naar die van de hedendaagse uitingen van kunst. De armzaligheid van dit moment is helaas evident, daar zijn vriend en vijand van de moderne kunst het ras over eens: er is weinig novitas te ontdekken onder de horizon. Maar achter de horizon? Kan wellicht een verruimende blik, die uiteraard nooit objectief toereikend zal zijn, een licht werpen achter die horizon en daar een antwoord vinden op het waarom van het uitblijven van die nieuwe beginnen en het ontbreken aan elan van originaliteit? Of ligt het antwoord al voor de hand en is alles al eens voorbijgekomen, waardoor iedere kunstuiting een herhaling zal blijken te zijn van eerdere initiatieven, zoals Rudi Fuchs al eens benadrukte? De vormen waarmee de kunstenaar zich origineel tracht uit te drukken raken uitgeput, evenzo de materialen. De impact die de digitale wereld mogelijk zou kunnen hebben op de nataliteit van de kunsten in het algemeen, daarover zijn de art-watchers nog niet enthousiast gestemd. Rest nog de inhoud, terug naar de ideeŽn en herwaardering van wat de kunstenaar toevalt, zomaar uit gene zijde. Dankzij Arendt hebben we de begrippen er wel al voor.

Zeker, de oprechte kunstbeschouwer verkeert in gewetensnood: moet hij progressie veinzen en met de culturele elite van de daken schreeuwen dat er zoveel talent rondloopt, of moet hij tot zijn spijt erkennen dat de naoorlogse sneltrein van de moderne kunst zijn eindstation heeft bereikt? Vervolgens kan hij de vurige hoop uitspreken dat dit geen definitief eindstation zal blijken en dat de spoorlijn naar de toekomst zal worden doorgetrokken, zodat die kunsttrein weer op gang kan komen.

De verbijsterende opeenvolging van kunststromingen heeft het idee dat de kunstwereld constant evolueert stevig aangetast. De oneindige vernieuwing waarop de kunstmarkt voortdrijft blijkt een illusie, de limiet is bereikt. Cultuurfilosoof Arthur Danto spreekt over een doodlopende weg en een point of no return. De kunstgeschiedenis is definitief voorbij. We leven volgens Danto in een tijdperk van posthistorische kunst, waarin het einde van de kunst is opgenomen. De kunst ondergaat al een tijdlang een diepgaande crisis omdat alle mogelijkheden tot creatieve vernieuwing zijn opgebrand. Ze heeft kennelijk niet meer de kracht om iets werkelijk nieuws uit te vinden of toe te voegen. Door deze legitimatiecrisis zijn we genoodzaakt, aldus Danto, om deze crisis te doordenken en inzichtelijk te maken, zodat we de wijze waarop we ons tot de kunsten verhouden kunnen herijken.

De opvatting dat kunst een expressie is van de geestestoestand van de kunstenaar, is achterhaald en blijkt een groot misverstand. Het betreft hier, wat de Britse kunstcriticus Clive Bell ooit een pathetische denkfout noemde. De intenties van de kunstenaar, bepaalde gevoelens die wellicht zijn scheppingsdrang hebben geactiveerd, doen uit oogpunt van zuivere artisticiteit, niet ter zake. Het gaat namelijk nooit om de emoties van de kunstenaar, het draait altijd om de emotie die het kunstwerk bij de beschouwer oproept. En die is particulier.

Er kan dus geen sprake zijn van een eenduidige waarheid, niemand kan ze opeisen. Daarmee kan m.b.t. een modern kunstwerk een opmerking als zo heeft de kunstenaar het niet bedoeld verbannen worden naar het rijk der absurditeiten. Want bij kunst kijken gaat het niet om een verklaring, maar om de persoonlijke ervaring. Een kunstenaar zou geen bedoelingen moeten hebben, anders dan de bedoeling wat hem in abstracto inviel -en waarvan hij het fijne ook niet weet- proberen te vertalen in een kunstwerk en aan het kunstpubliek te presenteren. Daarmee is hij inderdaad, zoals wel vaker beweerd, een doorgeefluik geworden van een idee. Hetgeen impliceert dat niet de kunstenaar communiceert met het kunstpubliek, maar het kunstwerk. Want een kunstenaar met boodschappen en bedoelingen kan beter pamflettist worden. De beschouwer hoeft zich dan ook alleen maar bezig te houden met het kunstwerk en in ogenschouw nemen dat de kunstenaar daaraan te allen tijde ondergeschikt is. Toch een zorg minder voor de beschouwer.       

 ***

Onbaatzuchtig kijken en de genade van de stilte

Schrijver Godfried Bomans in een interview: ďEen schrijver in het bijzonder en een kunstenaar in het algemeen heeft in zijn/haar jeugd veel mee. Ten eerste is hij niet bekend. Hij wordt niet geobserveerd en er wordt niets van hem verwacht, hij kent de genade van de stilte; van het isolement, dat hij zich later weer moeizaam terug veroveren moet. En in die stilte kijkt hij ook anders dan wanneer hij later bekend is, hij kijkt namelijk: onbekommerd. Voor elke kunstenaar is de jeugd het grootste bezit wat hij heeft, omdat dat de enige periode is dat hij onbaatzuchtig gekeken heeft. 
Later ga je aan het werk en ga je onbewust -en daar is geen ontkomen aan- kijken naar de dingen met de gedachten: zit daar iets in, kan ik daar iets mee?  Dan is het al bedorven, dan kijk je al baatzuchtig, egoÔstisch, en laat het voorwerp niet z'n kans. Terwijl een kind in de tuin van z'n vader loopt, ziet om zich heen de avondschemering, de bomen, de vogels. Het late licht van een dag die doodgaat, die hele melancholie van een zomeravond, of nog mooier, van een herfstavond. Het kind weet van niets, wil er ook niet over schrijven, en daardoor ontvangt ie de volle pracht van zo'n avond en staat daarin onbewust te bloeien. Terwijl wanneer je later, als volwassene, in zo'n avond loopt, loop je gespannen, Je moet dan los zien te komen. Dat is het grote probleem van het kunstenaarschap, dat je dat weer moet zien terug te winnen"

  ***

Blasfemie

Naar de mening van Boris Groys, hedendaags filosoof en kunstcriticus, is alle artistieke vernieuwing inherent blasfemisch, want ze haalt een object of idee uit de sfeer van het profane (het alledaagse banale) en verplaatst het naar de sfeer van het sacrale (het verhevene): het museum. Blijkbaar is sinds de ready-mades van Marcel Duchamp aan die attitude weinig veranderd.

 ***

De ondergang van de collectieve esthetische smaak

"Als er ťen sector is die zich afvraagt waartoe zij op aarde is, dan is het wel de kunst" constateert cultuurwetenschapper Arnold Heumakers in zijn jongste boek. Vroeger had ze een doel: kopieŽn maken van de natuur, of meer verheven een religieus of ideologisch doel. Nu die druk op de kunst verdwenen is, komt de vraag steeds nadrukkelijker naar boven wat heden ten dage goede kunst is, of eigenlijk wat sowieso kunst is. Alles wat esthetisch is werd in de jaren zestig van de vorige eeuw als verdacht gekenmerkt, kunst mocht niet langer mooi zijn ("schoonheid heeft haar gezicht verbrand", dichtte Lucebert). Weg criterium. Kunst mocht niet meer in dienst staan van iets anders. Noch ideologisch, hoewel moderne kunstenaars in die tijd toch erg de linkse ideologie uit het Oosten aanhingen; noch religieus, hoewel graficus Anton Heyboer in diezelfde tijd meende dat alle goede kunst religieus is. Kortom, de kunsten zijn op zichzelf geworpen, moeten het zelf maar uitzoeken. Niets hoeft, alles mag en dan zal het tribunaal van kunstontdekkingsreizigers, of de kunstpolitie, wel uitmaken wie er wordt uitgesloten en wie mee kan doen. Maar het beoordelen van wat kunst is en wat niet, blijft uiterst arbitrair en subjectief. En zeker afhankelijk vanuit welk perspectief er wordt beoordeeld, niemand is immers objectief.

Als beschouwer kun je nog hanteren dat wanneer een kunstwerk iets met je doet, iets onbestemds overbrengt in de zin dat je je aangesproken voelt, de ervaring an sich, dat je dan nog een handvat hebt om voorzichtig mee te oordelen. Maar een kunstenaar? Je ziet het wel bij uitvoerende kunstenaars, een zangeres b.v., die zo onder de indruk is van haar eigen interpretatie van een zangstuk, dat zij wordt overmand door emotie. Of de toneelspeler die een droevig werk probeert over te brengen op publiek en er zo in opgaat dat hij zichzelf niet meer onder controle heeft. Van de Vlaamse dichter/schrijver Willem Elsschot is bekend dat hij tijdens het declameren van eigen teksten het nogal eens te kwaad kreeg. Dus jaÖof we veel waarde moeten hechten aan de mening van de kunstenaar, die niet zonder belang is en daardoor nogal eens meer gevoelsmatig dan nuchter tot stand komt, dat valt te betwisten. Het is daarom, vanuit welk perspectief men ook oordeelt, moeilijk om te bepalen wat onzin is en wat er toe doet. Maar hoe dan ook, gezegend zijn we dat een kwaliteitsoordeel niet meer afhankelijk hoeft te zijn van de modegevoelige, collectieve esthetische smaak.

 ***

Over kleine musea

De grote musea doen het goed in Nederland, althans volgens de cijfers die belangenorganisatie De Museumvereniging heeft verzameld. Van de 350 musea zijn er echter meer dan 200 klein te noemen en daar gaat het juist minder goed mee. Natuurlijk, de overheid propageert cultureel ondernemerschap, dat is leuk, maar aan de andere kant beseft ze niet dat bij iedere bezuinigingsronde bij de kleine musea de hardste klappen vallen. De grote kunnen zich makkelijker zelf redden is gebleken, zij hebben het geld om zichzelf in de markt te zetten, want zij beseffen maar al te goed dat in de roes van snelle scores inhoud alleen niet meer voldoende is. Maar kleinere musea hebben daarvoor de middelen niet.

Nog pijnlijker wordt dat gemis wanneer men moet constateren dat kleine musea bijna volledig afhankelijk zijn van vrijwilligers. Die moeten belangrijke taken uitvoeren waarvoor ze niet zijn opgeleid en vaak hebben ze ook geen enkele voeling met het metier kunst. Verantwoordelijkheid kun je ze derhalve niet geven voor die belangrijke taken, dus drukt die verantwoordelijkheid extra op de schouders van professionals, die het al druk genoeg hebben met organisatorische en beleidmakende zaken. De goedbedoelende vrijwilliger is meestal een man of vrouw die gepensioneerd of met de vut is, of anderszins niet meer actief werkzaam en die nog wat wil betekenen voor de lokale samenleving. Dus het vrijwilligerskorps vergrijst en de sponsorbijdragen en de subsidies zijn niet toereikend om gekwalificeerd personeel aan te trekken. Toch heeft de problematiek met de kleine musea maar ten dele met financiŽn  te maken, meent b.v. museumadviseur Taco Pauka. Het is te makkelijk om te klagen dat de grote musea al te ruim uit de subsidieruif happen waardoor voor de kleintjes weinig overblijft. Vaak is het beleid of het ontbreken daaraan de schuld dat ze geen belangstelling genereren bij sponsoren en publiek. Kortom de klacht van de kleine musea is maar ten dele legitiem, want het verhaal van de kleine musea rammelt nog al eens. Voorbeelden zijn eenvoudig te vinden.

Wanneer een museum in ťen of ander klein plaatsje zichzelf de opdracht heeft gegeven -of laten opleggen door de politiek- om alleen de plaatselijke bevolking te bedienen, een plaatsje waar men logischerwijs niet van kan verwachten dat de helft van de bevolking warm loopt voor kunst, dan is het niet verstandig om halsstarrig vast te houden aan die opdracht, want dan kan men binnen de kortste keren de boel wel sluiten. Als dat kleine plaatsje met dat museum notabene ook nog kunst in huis heeft van niet alleen nationaal, maar zelfs internationaal niveau waarmee het wereldwijd sier zou kunnen maken en waarmee men vele belangstellenden naar dat plaatsje zou kunnen trekken en men blijft dan nog navelstaren, tja dan moet je ook niet klagen dat de bezoekersaantallen tegenvallen. Men blijft liever in alle kortzichtigheid hameren op het genereren van financiŽn middels tijdelijke exposities van lokale pottendraaiers, kantklossers, textielfrŲbelaars enzovoort, dan dat men even iets verder kijkt dan de grenzen van de polder waarin het plaatsje verzonken ligt. Ik neem hier als voorbeeld Museum Nagele in de Noordoostpolder. Een dorp met een prachtige architectonische geschiedenis. In de jaren vijftig ontworpen door beroemde architecten als Aldo van Eyck en Gerrit Rietveld. Zij konden anno 1950 op grotere schaal hun nieuwe ideeŽn van openheid en strakheid realiseren en ontwierpen een dorp met louter platte daken. Een origineel dorp geboren uit nieuwe ideeŽn. Het plaatselijk museum zou de dynamiek van die bruisende ideeŽn van weleer moeten tonen en zelf uit moeten stralen in haar beleid t.a.v. tijdelijke tentoonstellingen. Maar nee, het straalt de sfeer uit van een mausoleum, waarin de levendige denkbeelden van weleer begraven liggen onder het glas van conventionele vitrines. Over de hele wereld worden de architecten Van Eyck en Rietveld geroemd om hun nieuwe ideeŽn, met name ook die m.b.t. het dorp Nagele. Maar ga eens in de hoofdstad van de Noordoostpolder, Lelystad, nog geen 24 kilometer van Nagele, vragen naar dit dorpje, dan weten de meesten niet eens waar het ligt. Dan kun je toch niet zeggen dat de pr-machine op volle toeren heeft gedraaid.

Daarom, een combinatie van spraakmakende tentoonstellingen van moderne meesters of aankomend talent in relatie tot de permanente expositie over de architectuur van het nieuwe bouwen (b.v. met een link naar minimalisme, nul-kunst, geometrische kunst of constructivisme) zal het perspectief aangaande bekendheid en bezoekersaantallen van Museum Nagele zeker verruimen. Het zal niet het eerste kleine plaatsje zijn dat zich naam en faam zou kunnen verwerven met een museum; ik denk aan het piepkleine plaatsje Humlebaek te Denemarken met zín wereldberoemde Louisiana Museum. Of het Noordfranse Le Cateau-Cambresis dat zijn bekendheid dankt aan het Matisse museum, of het Spaanse Pķbol dat veel bezoekers trekt met het museum Chateau Dali. En zo zullen er nog wel meer zijn. Blijkbaar heeft museumadviseur Taco Pauka een punt en is, ondanks de niet geringe problemen waar de musea in de kleine plaatsen mee kampen, de nadruk op de financiŽle kant te eenzijdig en zou er best wat creatiever omgegaan kunnen worden met wat men reeds in huis heeft en wat men in huis haalt en niet steeds benadrukken wat men mist. Er is een reputatie te winnen.

***

De schepper is verworden tot uitvoerder

Veel scheppend kunstenaars zijn heden ten dage in wezen uitvoerend kunstenaars, want er wordt wat geÔmiteerd en gekopieerd. Van origineel werk is weinig sprake. En dat is ook lastig, want alles is wel zoín beetje bedacht en gedaan. Maar de kunstwereld heeft er baat bij dit feit te negeren, noviteiten moeten worden gesuggereerd omwille van de bloeiende kunsthandel. Het is toch pijnlijk dat wanneer je als enigszins geoefende kijker een beurs van hedendaagse beeldende kunst bezoekt, je vaak in ťen oogopslag kunt zien waar een kunstenaar zijn of haar inspiratie vandaan heeft en wie zijn of haar voorbeeld is. Dat zou geen compliment mogen zijn, maar een alarmsignaal dat het over het algemeen droevig is gesteld met de originaliteit in de hedendaagse beeldende kunst. Wat we voornamelijk zien, is dat de schepper verworden is tot uitvoerder van andermans ideeŽn. In de literatuur en in de toonkunst kom je daar niet mee weg, maar in de beeldende kunst is dat geen zwaarwegend issue.

 

J. Baron

 

copyright@collectiebaron 2017