Collectie J. Baron


Viktor IV

 

Anton Heyboer, Viktor IV, Jan Montyn, Theo Niermeijer, Wim de Haan, Hannes van Es, Jaap Mooy, Tjibbe Hooghiemstra, Huug Pleysier, Armando, Ruben Stallinga, Anneliese Wolf, Willem Alfrink, Krin Rinsema, e.a.

info@collectiebaron.nl
 

 

De schepper is verworden tot uitvoerder

Veel scheppend kunstenaars zijn heden ten dage in wezen uitvoerend kunstenaars, want er wordt wat geïmiteerd en gekopieerd. Van origineel werk is weinig sprake meer. En dat is ook lastig, want alles is wel zo’n beetje bedacht en gedaan. Maar de kunstwereld heeft er baat bij dit feit te negeren, noviteiten moeten worden gesuggereerd omwille van de bloeiende kunsthandel. Het is toch pijnlijk dat wanneer je als enigszins geoefende kijker een beurs van hedendaagse beeldende kunst bezoekt, je vaak in éen oogopslag kunt zien waar een kunstenaar zijn of haar inspiratie vandaan heeft en wie zijn of haar voorbeeld is. Dat zou geen compliment mogen zijn, maar een alarmsignaal dat het over het algemeen droevig is gesteld met de originaliteit in de hedendaagse beeldende kunst. Wat we voornamelijk zien is dat kunstenaars pronken met de veren van andermans ideeën, terwijl ze onbeschaamd de suggestie wekken -en impliciet claimen- inventieve en oorspronkelijke creators te zijn. In de overige kunsten kom je daar niet mee weg, maar in de beeldende kunst blijkt dat nauwelijks een zwaarwegend issue.

***

Een essentieel criterium

De criteria die doorgaans gehanteerd worden ter beoordeling van originele moderne kunst zijn niet alleen onduidelijk en divers, maar ook meestentijds oneigenlijk aan de definitie van modern. Iets kan toch pas modern genoemd worden als het een verwijzing heeft naar hetgeen er nog niet was, naar iets nieuws dus. Dat het nieuwe vervolgens ongekend en bevreemdend voorkomt, is daarvan de bevestiging. Zonder nieuw is geen originaliteit mogelijk. Daarom zal het zich openstellen door de kunstenaar voor wat hem vanuit het ongewisse toevalt, een essentieel criterium behoren te zijn voor het realiseren van originele kunst. Op zoek naar inspiratie lijkt dan analoog aan een oproep tot luisteren naar ‘n onbekende stem vanaf de overkant (Finkielkraut).

***

De ondergang van de collectieve esthetische smaak

"Als er éen sector is die zich afvraagt waartoe zij op aarde is, dan is het wel de kunst" constateert cultuurwetenschapper Arnold Heumakers in zijn jongste boek. Vroeger had ze een doel: kopieën maken van de natuur, of meer verheven een religieus of ideologisch doel. Nu die druk op de kunst verdwenen is, komt de vraag steeds nadrukkelijker naar boven wat heden ten dage goede kunst is, of eigenlijk wat sowieso kunst is. Alles wat esthetisch is werd in de jaren zestig van de vorige eeuw als verdacht gekenmerkt, kunst mocht niet langer mooi zijn ("schoonheid heeft haar gezicht verbrand", dichtte Lucebert). Weg criterium. Kunst mocht niet meer in dienst staan van iets anders. Noch ideologisch, hoewel moderne kunstenaars in die tijd toch erg de linkse ideologie uit het Oosten aanhingen; noch religieus, hoewel graficus Anton Heyboer in diezelfde tijd meende dat alle goede kunst religieus is. Kortom, de kunsten zijn op zichzelf geworpen, moeten het zelf maar uitzoeken. Niets hoeft, alles mag en dan zal het tribunaal van kunstontdekkingsreizigers, of de kunstpolitie, wel uitmaken wie er wordt uitgesloten en wie mee kan doen. Maar het beoordelen van wat kunst is en wat niet, blijft uiterst arbitrair en subjectief. En zeker afhankelijk vanuit welk perspectief er wordt beoordeeld, niemand is immers objectief. 

Als beschouwer kun je nog hanteren dat wanneer een kunstwerk iets met je doet, iets onbestemds overbrengt in de zin dat je je aangesproken voelt, de ervaring an sich, dat je dan nog een handvat hebt om voorzichtig mee te oordelen. Maar een kunstenaar? Je ziet het wel bij uitvoerende kunstenaars, een zangeres b.v., die zo onder de indruk is van haar eigen interpretatie van een zangstuk, dat zij wordt overmand door emotie. Of de toneelspeler die een droevig werk probeert over te brengen op publiek en er zo in opgaat dat hij zichzelf niet meer onder controle heeft. Van de Vlaamse dichter/schrijver Willem Elsschot is bekend dat hij tijdens het declameren van eigen teksten het nogal eens te kwaad kreeg. Dus ja…of we veel waarde moeten hechten aan de mening van de kunstenaar, die niet zonder belang is en daardoor nogal eens meer gevoelsmatig dan nuchter tot stand komt, dat valt te betwisten. Het is daarom, vanuit welk perspectief men ook oordeelt, moeilijk om te bepalen wat onzin is en wat er toe doet. Maar hoe dan ook, gezegend zijn we dat een kwaliteitsoordeel niet meer afhankelijk hoeft te zijn van de modegevoelige, collectieve esthetische smaak.

***

Het mystieke van de verbeelding

Door een zegenrijk lot vanuit het niets, een gebeuren dat de wil van de kunstenaar te boven gaat, begint het voltooide kunstwerk het mystieke van de verbeelding te ademen. Zelfs wanneer de kunstenaar in de gunstige positie verkeert om geheel ongedwongen te kunnen werken, neemt dat niet weg dat de mystieke kracht van het uiteindelijke product onmogelijk op zijn conto geschreven kan worden. Het valt buiten zijn creatieve competentie (voor Friedrich Schelling, filosoof van het Duits idealisme, was die mystieke kracht een gift van een hogere natuur). Daarom is het wonderlijk om een kunstenaar bezig te zien, die zijn/haar werk publiekelijk uitlegt. Die overschat zichzelf en onderschat de aanvankelijk verborgen transcendentale waarde, de mystieke kracht, die het kunstwerk kan hebben in de verbeelding van de beschouwer.

 ***

Onbaatzuchtig kijken en de genade van de stilte

Schrijver Godfried Bomans in een interview: “Een schrijver in het bijzonder en een kunstenaar in het algemeen heeft in zijn jeugd veel mee. Ten eerste is hij niet bekend. Hij wordt niet geobserveerd en er wordt niets van hem verwacht, hij kent de genade van de stilte; van het isolement, dat hij zich later weer moeizaam terug veroveren moet. En in die stilte kijkt hij ook anders dan wanneer hij later bekend is, hij kijkt namelijk: onbekommerd. Voor elke kunstenaar is de jeugd het grootste bezit wat hij heeft, omdat dat de enige periode is dat hij onbaatzuchtig gekeken heeft. 
Later ga je aan het werk en ga je onbewust -en daar is geen ontkomen aan- kijken naar de dingen met de gedachten: zit daar iets in, kan ik daar iets mee?  Dan is het al bedorven, dan kijk je al baatzuchtig, egoïstisch, en laat het voorwerp niet z'n kans. Terwijl een kind in de tuin van z'n vader loopt, ziet om zich heen de avondschemering, de bomen, de vogels. Het late licht van een dag die doodgaat, die hele melancholie van een zomeravond, of nog mooier, van een herfstavond. Het kind weet van niets, wil er ook niet over schrijven, en daardoor ontvangt ie de volle pracht van zo'n avond en staat daarin onbewust te bloeien. Terwijl wanneer je later, als volwassene, in zo'n avond loopt, loop je gespannen, Je moet dan los zien te komen. Dat is het grote probleem van het kunstenaarschap, dat je dat weer moet zien terug te winnen"

  ***

Voor de tweede keer gefopt

Dat het realisme in de traditionele kunst meer en meer door de moderne kunst terzijde werd geschoven, kwam voornamelijk door een verschuiving in de kunstenaarsopvatting van de buitenwereld naar de binnenwereld, naar de zgn. innerlijke werkelijkheid. Die werkelijkheid moet de werkelijkheid zijn waar de filosofie zich al eeuwen over buigt: de metafysische werkelijkheid. Moderne kunstenaars voelen dan ook de behoefte om te filosoferen over de irrationele en onzichtbare oergrond van het leven en zoeken die vooral in onderbewuste momenten in het eigen gevoelsleven. Wat ze in wezen doen is niet filosoferen maar psychologiseren, met zichzelf als object van onderzoek. De focus op de buitenwereld wordt door hen vervangen door die op de binnenwereld, zodanig dat de blik naar buiten een spiegel krijgt voorgeschoteld. Maar de vraag werpt zich op of de kunst met een concentratie op het individuele innerlijk, zichzelf niet voor de tweede keer fopt. Althans wanneer ze zich wil blijven projecteren op de metafysische werkelijkheid. Na verheerlijking van de zichtbare realiteit, die ontologisch onhoudbaar bleek, richt men zich nu op de relevantie van de gemoedsbewegingen. Buiten het gevaar dat men dan slechts sentimentele, kitcherige kunst produceert, zal ook het gevaar op de loer liggen dat de metafysische waarde van de individuele inspanningen minimaal zal zijn.

***

Zielenroerselen

Iemand die de onbedwingbare drang heeft om zijn zielenroerselen te uiten moet geen kunstenaar worden, maar een afspraak maken met een psychiater. Wel kan een kunstenaar met zijn werk universele emoties oproepen, maar dat is wat anders. Zodra het persoonlijk wordt, wordt het algauw koketterie. En daar zit het kunstpubliek niet op te wachten.

***

 J. Baron

 

Anton Heyboer

 

copyright collectiebaron 2017